Infra Talent Scan

Benieuwd welke beroepen in de infra passen bij jouw talenten, interesses en werkstijl? Beantwoord 24 vragen en ontdek jouw talenten en infraberoepen die bij jou passen!

Ontdek jouw infratalent

Beantwoord de 24 vragen. Kies steeds het antwoord dat het beste bij jou past. Dit is een scan en er zijn geen goede of foute antwoorden.

De scan bestaat uit 24 vragen. Reken daarna jouw score uit met het scoreformulier van de docent.

01 Ontdek jouw talent profiel

Waar krijg jij energie van en wat past het beste bij jou?

Ontdek jouw talentprofiel

A. Handen uit de mouwen. Wanneer beginnen we met bouwen?
B. Eerst uitzoeken wat we slim met die €1.000 kunnen doen.
C. Ik maak een tof ontwerp voor het nieuwe schoolplein.
D. Ik maak een plan en verdeel de taken.
E. Kunnen we iets bouwen dat beweegt, licht geeft of technisch werkt?
F. Eerst vragen wat leerlingen eigenlijk op het plein willen.

A. Gereedschap erbij. Ik probeer het gewoon te maken.
B. Eerst kijken waar het probleem precies zit.
C. Als we toch bezig zijn… kan hij meteen wat mooier of slimmer?
D. Ik regel dat hij zo snel mogelijk gemaakt wordt.
E. Interessant. Hoe werkt dat onderdeel eigenlijk?
F. Ik ken vast iemand die hier goed in is. Samen lukt het wel.

A. zegt: “Kom op, gewoon beginnen!”
B. eerst wil snappen wat precies de bedoeling is.
C. met de ideeën komt waar niemand nog aan had gedacht.
D. zorgt dat iedereen iets doet en we op tijd klaar zijn.
E. de technische dingen wel even uitzoekt.
F. zorgt dat iedereen gehoord wordt en mee kan doen.

  1. Een groot bouwproject waar ze echt aan het werk zijn.
  2. Een plek waar ze ingewikkelde problemen oplossen en dingen berekenen.
  3. Een ontwerpstudio vol tekeningen en 3D-modellen.
  4. De plek van waaruit een groot project wordt aangestuurd.
  5. Een werkplaats vol machines, kabels en technische spullen.
  6. Een plek waar veel verschillende mensen samen aan een project werken.
  1. We zien vanzelf wel hoe ver we komen.
  2. Eerst logisch uitzoeken hoe alle onderdelen bij elkaar horen.
  3. Ik maak er gewoon mijn eigen versie van.
  4. Eerst onderdelen sorteren en bepalen wat we wanneer doen.
  5. Ik wil vooral weten hoe de bewegende onderdelen werken.
  6. Samen doen. Iemand anders ziet vast iets wat ik niet zie.
  1. Kunnen zeggen: “Daar heb ik aan meegebouwd.”
  2. Berekenen hoe je hem sterk, veilig én betaalbaar maakt.
  3. Bedenken hoe de brug eruit gaat zien.
  4. Zorgen dat honderden werkzaamheden goed op elkaar aansluiten.
  5. Werken met de machines en techniek waarmee hij gebouwd wordt.
  6. Zorgen dat bouwers, gemeente en bewoners elkaar begrijpen.

A. probeert het meteen te herstellen.
B. zoekt eerst uit waarom het misging.
C. bedenkt een totaal andere oplossing.
D. houdt het hoofd koel en bepaalt wat er nu moet gebeuren.
E. controleert of er technisch iets fout zit.
F. overlegt met de groep hoe we dit samen oplossen.

A. “Jij kunt ook nooit stilzitten, hè?”
B. “Hoe kom jij daar nou weer op?”
C. “Jij maakt er altijd iets moois van.”
D. “Regel jij het even?”
E. “Vraag het maar aan jou, jij snapt dat soort dingen.”
F. “Jij kunt echt met iedereen overweg.”

A. Alles wat ik bedenk direct kunnen bouwen.
B. Binnen tien seconden ieder probleem doorzien.
C. Alles wat ik teken werkelijkheid laten worden.
D. Een groep automatisch perfect laten samenwerken.
E. Iedere machine of technisch apparaat begrijpen.
F. Zorgen dat iedereen elkaar meteen begrijpt.

A. Dat er iets staat wat er vanmorgen nog niet was.
B. Dat ik een lastig probleem heb opgelost.
C. Dat mijn idee echt gebruikt gaat worden.
D. Dat alles volgens plan is verlopen.
E. Dat iets dankzij mij weer perfect werkt.
F. Dat we het met elkaar voor elkaar hebben gekregen.

A. Podium, hekken en spullen opbouwen.
B. Uitzoeken hoeveel alles kost en wat er nodig is.
C. Plattegrond, aankleding en uitstraling bedenken.
D. Draaiboek maken en zorgen dat iedereen weet waar hij moet zijn.
E. Licht, stroom en apparatuur regelen.
F. Artiesten, bezoekers en vrijwilligers helpen en informeren.

A. Hoe bouwen ze zoiets eigenlijk?
B. Waarom hebben ze het zo bedacht?
C. Hoe zou ik dit anders ontwerpen?
D. Hoe krijg je zo’n enorm project georganiseerd?
E. Hoe werkt dat ding?!
F. Hoe krijg je zoveel verschillende mensen mee?

A. Een stuk straat leggen of iets bouwen.
B. Een echte bouwpuzzel of berekening oplossen.
C. Een brug, weg of wijk in 3D ontwerpen.
D. Een team tijdens een opdracht aansturen.
E. Een graafmachine besturen of met technische apparatuur werken.
F. Met verschillende mensen een oplossing bedenken voor een probleem in de buurt.

A. Niet te lang praten. Gewoon doen.
B. Wacht even… ik wil eerst weten hoe het zit.
C. Maar wat als we het nou eens héél anders doen?
D. Oké mensen, dit is het plan.
E. Geef hier, ik wil weten hoe het werkt.
F. Kom, we doen dit samen.

02 Hoe werk jij het liefst?

Ontdek welke werkstijl bij jou past

Hoe werk jij het liefst?

A. Gewoon beginnen en met mijn handen werken.
B. Met machines, gereedschap of techniek werken.
C. Uitzoeken, rekenen of een probleem oplossen.
D. Regelen wie wat doet en wanneer.
E. Met andere mensen samenwerken en overleggen.

A. Een dag waarop ik veel heb gemaakt en gedaan.
B. Een dag waarop ik met techniek bezig ben geweest.
C. Een dag vol puzzels, berekeningen en slimme oplossingen.
D. Een drukke dag waarop ik honderd dingen heb geregeld.
E. Een dag waarop ik veel met verschillende mensen heb gewerkt.

A. “Die kan echt iets maken.”
B. “Die snapt techniek.”
C. “Die bedenkt altijd een oplossing.”
D. “Als die het regelt, komt het goed.”
E. “Die krijgt mensen altijd mee.”

A. Laat maar zien wat er moet gebeuren, dan ga ik aan de slag.
B. Geef mij het gereedschap of de techniek, dan zoek ik het uit.
C. Geef mij even de tijd om te bedenken wat de slimste oplossing is.
D. Eerst een goed plan maken, dan weten we allemaal wat we moeten doen.
E. Laten we het samen doen, dan komen we er wel uit.

A. De hele dag stilzitten en alleen maar luisteren.
B. Nergens aan mogen sleutelen of uitzoeken hoe iets werkt.
C. Geen tijd krijgen om ergens goed over na te denken.
D. Dat niemand weet wat de planning is. Chaos!
E. De hele dag alleen werken zonder iemand te spreken.

Waar werk jij het liefst?

A. Naar buiten, naar een plek waar gebouwd en gewerkt wordt.
B. Naar binnen, waar ik rustig kan werken, ontwerpen of voorbereiden.
C. Maakt me niet uit. Als ik maar niet iedere dag op dezelfde plek zit.

A. Werkschoenen aan, helm op en naar buiten.
B. Computer aan en geconcentreerd aan een plan of ontwerp werken.
C. Eerst binnen overleggen en daarna buiten kijken hoe het gaat.

A. Jas aan. Daar zijn toch regenbroeken voor?
B. Ik wens jullie buiten héél veel succes. Ik blijf binnen. 😄
C. Een paar uur buiten is prima, maar daarna graag weer naar binnen.

A. Midden op een bouwplaats of projectlocatie. Daar gebeurt tenminste wat!
B. Binnen op een fijne werkplek, kantoor of in een werkplaats.
C. Geen vaste plek voor mij. Vandaag binnen, morgen op een project.

A. Veel buiten zijn en steeds zien wat er gebouwd of gemaakt wordt.
B. Vooral binnen werken aan techniek, berekeningen, plannen of ontwerpen.
C. Lekker afwisselen: soms binnen werken en soms naar buiten.

Klaar om jouw talent te ontdekken?

Gebruik het scoreformulier om jouw antwoorden uit te rekenen en ontdek jouw talenten en bijpassende infraberoepen.

Meer weten over de infraberoepen? Bekijk ze hier →